












|
Als baby leven we nog in
de eenheid. We maken geen onderscheid tussen binnen en buiten. Aan de ogen van
het kind kun je dit nog zien. Het leeft nog in de hemel: een zonnetje in huis.
Vanaf de conceptie gaat het kind een relatie ontwikkelen tussen zichzelf en
mama, papa, de buitenwereld. Zo ontstaat geleidelijk het idee van een afgescheiden ik (ego).
Naast een biologisch overlevingsinstinct ontstaat er dus ook idee (over
onszelf), wat zichzelf wil handhaven. Gedurende de ontwikkeling van het kind tot volwassene wordt dit ego verder
gevormd. Dit hangt samen met de ontwikkeling van de zintuigen, zenuwen en
hersenen. Een gezond ego stelt iemand in staat als zelfstandig individu te leren
en te functioneren.
De keerzijde is echter, dat het ego een beperkt beeld geeft van de werkelijkheid
en ons ervan kan weerhouden het leven helemaal aan te gaan (weerstand). Pijnlijke
ervaringen worden afgeschermd of verdrongen uit ons bewustzijn en zo wordt de
levensstroom afgeknepen. De
onverwerkte ervaringen laten een indruk achter in ons systeem en beïnvloeden zo
op onbewuste wijze ons denken, onze emoties, ons handelen en zelfs onze
gezondheid. We leven in zich herhalende patronen, waardoor bepaalde problemen met
school, relaties of werk hardnekkig de kop opsteken. Met name in onze westerse
samenleving leven we vooral vanuit ons hoofd. Ons energiesysteem raakt verstoord,
waardoor de kans op ziekte toeneemt.
|